10:09

prijswinnend gedicht Zilveren Lijst 2010

Er sprong net
een meisje van onze flat.
Mijn ogen schoten open,
ik stond op van mijn bed,
stak mijn hoofd uit het raam  en zag haar liggen.

Heel netjes op haar rug.
Mijn broertje zei dat als zoiets gebeurde,
de straat rood werd van het bloed dat
spatte en stroomde, maar
zij was stil en schoon,
de regen maakte haar haren nat,
haar schouders gaven, even nog,
heel kleine schokjes.
Verder was er niets.

Ik denk dat ze wilde dat niemand het had gemerkt,
dat er langzaam gras en plantjes
over haar zouden groeien.

Op straat werd gegild.
Zij keek een beetje naar de lucht.
Ze was best mooi, dat kon ik zien, ze had
lichtbruine laarzen, zwarte veters gestrikt.
Een beetje dun, knokige schouders,
haar krullen op de stoep, ik dacht:
als ik haar nou roep, haar roep van “Hee,
wat doe je nou, laat je niet zo nat worden,
je bent gek, waarom zocht je nou geen
andere plek,
wat is er zo mooi aan deze stoep?

Een vrouw met een witte hond
riep iets in haar telefoon, noemde onze straat.
Ze huilde een beetje.
Haar hond poepte lekker in het gras.
Ik weet nog precies hoe laat het was,
omdat ik dacht: Tijdstip van overlijden,
en naar mijn digitale wekker keek en dat
opschreef in mijn hoofd.

.

Geschreven en voorgedragen voor declamatiewedstrijd “De Gouden Lijst“, tijdens de Middag van het Kinderboek, 4 september 2010 in de Openbare Bibliotheek Amsterdam.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *