Anoniem – nou en?

Gisteren stond de wereld, of in ieder geval een betrekkelijk deel van het Westerse deel ervan, stil bij het belang van vrije toegang tot internet voor iedere wereldburger. Maar waar het gisteren betrekkelijk stil hierover was in kranten en op internet, stond zaterdag 27 februari jl. er bomvol van. Die ochtend verscheen in Trouw een lang en betrekkelijk somber betoog van Henri Beunders, voornamelijk over twitterende politici, en de anonieme burger die zo graag niet anoniem wil zijn.

Beunders legt een helder conflict bloot dat de afgelopen jaren is ontstaan: de politiek, die zijn hele essentie vindt in de hiërerachische verhoudingen tussen burger en volksvertegenwoordiger, probeert zichzelf te passen in de huidige netwerkcultuur, die nu juist is gebaseerd op horizontale, gelijke verhoudingen. De twitterende politicus wil doen voorkomen alsof hij op gelijke hoogte staat met zijn volgers, terwijl hij dat in feite niet is en niet zal worden. De ‘gewone burger’, die bijvoorbeeld ook Twitter gebruikt en nog wel eens blogt, ontdekt op zijn beurt dat zijn weblog door niemand dan zichzelf wordt gelezen, en zeker niet door die politicus die wel de indruk wil wekken in zijn mening geïnteresseerd te zijn. Uit frustratie daarover oordeelt hij in harde bewoordingen over publieke figuren, die wél de aandacht krijgen. Het woord ‘reaguurders’ noemt Beunders niet, maar ligt wel voor de hand.

Mensen voelen zich, betoogt Beunders, niet meer serieus genomen door de politiek. Dit vloeit mede voort uit “de desillusie over de droom van totale communicatie.”

“Kijkend naar al die talkshows voelt de burger zich alsof hij ook aan die tafel zit mee te kwekken. Maar dat kan ie pas daarna, achter zijn pc, via zijn eigen weblog, via Twitter, Facebook, etc. De burger is als het ware langszij gekomen bij alle massamedia, heeft zich op een zelfgeknutseld virtueel platform gehesen. Om tot de ontdekking te komen dat de spotlight niet op hem, maar nog altijd op de politici en presentatoren rond de talkshowtafel is gericht. En dat zijn commentaar in het donker van het virtuele universum blijft – onopgemerkt, veronachtzaamd.”

Ik herken me natuurlijk in die ‘gewone burger’ die de moderne media (website, blog, Twitter, Facebook, LinkedIn) gebruikt. Wil ik dan zo graag gelezen worden? Jawel, maar in tegenstelling tot wat Beunders beweert, heb ik niet de verwachting dat dit stuk een massaal publiek zal vinden. Ik weet dat ik slechts een handvol lezers heb, maar schrijven, verwoorden heeft nog een ander doel: jezelf scherpen, je gedachten/standpunten concretiseren zodat je ze beter kunt toetsen, om zodoende te voorkomen dat je te gemakkelijk aannames blijft hanteren of onderbuikgevoelens in die onderbuik laat. Ik vind het volkomen terecht dat ik niet aan tafel bij Pauw en Witteman zit, en de twitter-discussies tijdens en na dat soort uitzendingen zie ik niet als compensatiegedrag, maar als een fantastische manier om meteen te kunnen toetsen wat je net hebt gezien, om te reflecteren wat je daar zelf van vindt – een soort extra laag van hoor en wederhoor.

Toch heeft Beunders een punt. Die hoor en wederhoor kunnen juist ook ver uit zicht raken, met een ‘mediamanie’ waarin iedereen zijn zegje kan doen. De NOS probeerde tijdens het live-verslag van de gemeenteraadsverkiezingen ook Twitter bij te houden, maar in de studio werden ze bijkans wanhopig van het feit dat je een zin begon, en er tegen het einde van de zin 50 nieuwe tweets bij waren gekomen. Snelheid en kwanititeit zijn sleutelwoorden in de tegenwoordige massacommunicatie. Wie reageert als eerste, wie wordt het vaakst geciteerd (‘ge-retweet’)? Maar blijft er zodoende niet te weinig tijd over om eerst zelf na te denken? Heeft mijn pleidooi voor Twitter als stimulans voor extra reflectie zichzelf aan het einde van deze alinea al niet ingehaald?

Neem bijvoorbeeld de nacht van de val het kabinet Balkenende IV – een gebeurtenis die ook Beunders nog aanhaalt. Zelf heb ik die nacht, of althans het begin ervan, op een voor mij nieuwe manier ervaren. De tv stond bij mij wel aan, maar vaak met het geluid zacht, en slechts zijdelings in mijn blikveld. Voor mij stond mijn laptop, met Twitter geopend. Niet zo lang geleden, misschien een jaar of tien, was dat nog volledig anders. Als er iets bijzonders gebeurde of dreigde te gebeuren en er werd live verslag van gedaan op televisie, dan was dát het medium waar je je nieuws van kreeg. Internet had allang een prominente plaats in de samenleving ingenomen, maar nog niet zozeer als snelste en gemakkelijkst toegankelijke nieuwsbron. Zittend voor de tv was het een kwestie van kijken en wachten. Vooral wachten. Tijdens dat wachten was er weinig afleiding, een tv-commentator af en toe, maar vooral veel tijd om na te denken, en om jezelf te hóren nadenken.

Maar als er nu, die nacht, even niets was te zien op tv, waren er 20 nieuwe tweets om bij te kunnen lezen. Tweets waarin iedereen zo kort en zwart-wit mogelijk zijn mening probeert over te brengen. En zelf wilde ik het liefst ook nog een duit in het zakje doen. Het vormen van je mening wordt zodoende veel meer beïnvloed door berichten van buitenaf, dan door je eigen reflectie van binnenuit.

Op deze manier hierover nadenken is in veel andere landen nog een toekomstbeeld. En dan pas raak je de kern van de waarde van dat vrije internet. Dat werd ook duidelijk op 27 februari, ‘s avonds tijdens ‘#twist’, het Twitter-feestje van Femke Halsema. Voor het spreekgestoelde kwam een jonge Iraanse masterstudente uit Delft, Sara Emami. Zij blikte terug op het beroemde internetfilmpje uit 2009 van Nada, het meisje dat werd doodgeschoten tijdens een demonstratie in Teheran. Internet blijkt voor haar vrienden in Iran keer op keer dé plek om de buitenwereld te bereiken met hun roep om steun, maar tegelijkertijd weet Sara het nieuws uit Iran meestal sneller dan die vrienden zelf.

Een vrije toegang tot internet hangt sterk samen met de vrijheid van expressie, een grondrecht dat voor ieder mens op aarde zou moeten gelden. Vrij toegankelijk internet is voor Nederlandsers allang een feit, en wij zijn zelfs al op het punt beland dat de nadelen ervan steeds nadrukkelijker in beeld komen. Maar tot dat punt ligt nog een grote kloof om de overbruggen. Femke Halsema riep daarom, niet als eerste, maar wel met nadruk, tijdens haar feestspeech op tot een digitale burgerrechtenbeweging.

Nu, twee weken later, is mij nog niet bekend of ze daar ook een concretere invulling aan wil geven, maar het klinkt in elk geval goed. Zou het niet fantastisch als wij allen, onbekende bloggers en twitteraars, gezamenlijk uit het duister van de anonimiteit zouden stappen om één heldere stem, een roep tot (digitale) vrijheid te vormen?


Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *