Narziss & Goldmund

voor Cees.

Hij staat er nog, hij zal er
altijd staan,
waar ik ook naartoe zal gaan.
Er wacht mij nog, misschien
een leven langs velden en wegen,
een eindeloos ontdekken tot
alles, plant en dier,
een naam gekregen heeft, en telkens
zal ik zien: hij leeft,

nog steeds, daar tussen
lucht en beton, hij is niet weg
en zal dat nooit zijn.

Midden op de vlakte weet ik hem:
rechtop, streng maar met
zacht geschetste hoeken en lijnen,
te neigen naar daar boven,
waar ooit wensen en woorden
dwars door het zichtbare reisden,
te letten op wat om hem heen
de grip verloor – hijzelf nog wel het meest,

maar de tijd zal nu
geen vat meer op hem krijgen
hij blijft nu wat hij
altijd is geweest.

Foto’s: Wim Boevink  

Lijnen en landschappen

Eerste wereldkaart met Amerika erop. Het vierde werelddeel van Toby Lester, over de wereldkaart die Amerika haar naam gaf, is alles in één: een thriller, een roadmovie, een verbluffend veelomvattende kijk op de wereld en een voorbeeld van hoe de tijd lijnen kan tekenen in een landschap

Lees meer…

Boekpresentatie 19 oktober

Het boek lag al in de winkels, maar 19 oktober was er toch een klein feestje voor Risk. In werfkelder In De Ruimte was er muziek van Florian Kullberg, een voorgelezen hoofdstuk, mooie dankwoorden, bier, wijn, geweldige cadeaus en een heuse boekentafel!

Lees meer…

Risk is er!

Daar ligt-ie dan. Al tijdens mijn afstuderen in 2008 begon ik aan een verhaal dat eerst nog Ridderspoor heette. De tijd verstreek en de titel werd korter. De personages gingen mee in mijn leven. Vandaag ziet de wereld Risk en Stiene voor het eerst.

Lees meer…

“Risk” vanaf oktober in de winkels

Vanaf oktober 2012 verschijnt de jeugdroman Risk bij Gottmer Uitgevers Groep. Risk vertelt het verhaal van Stiene, die alles op alles zet om de enige plek waar ze zich echt thuis voelt, het houten kasteel in hun park, te redden van de sloop. Maar het is ook het verhaal van Risk, de jongen die komt wanneer hij komt, en weer in de mist verdwijnt als de tijd erom vraagt.

Lees meer…

De trams in Oslo

“Het circus heeft Oslo verlaten,” schreef Luuk Mulder. Het hele proces was hij erbij. En wij ook een beetje, via hem en via de livestream. Behalve als het te pijnlijk werd om uitgezonden te worden. Dan keken we naar een onschuldig landschap.

Lees meer…

Plain Helvetica

“Wake up and smell the coffee, light up and dwell the offerings, drink with a thinking pinch, sit with a kitchen sink.” Zo klinkt het begin van het einde van The Streets. Jonge, snelle, rauwe, Britse poëzie op muziek die daar niet bij lijkt te passen. En het toch doet.

Lees meer…

Over de Dichter des Vaderlands

Toen ik begreep dat Ramsey Nasr gisteren zou spreken op het Malieveld, was ik bang voor een poëtische preek voor eigen parochie. Nasr wist de smalle horizon toch te verbreden, maar bereikt de Dichter des Vaderlands ook de Nederlanders die daar niet stonden?

Lees meer…

Man-Engulfed-in-Wave-Khao-Lak

Opnieuw een tsunami, dit maal in Japan. De beelden van een watermassa die ogenschijnlijk rustig het strand bedekt, maar dan allesverzwelgend doorraast, doen natuurlijk denken aan kerst 2004. De stip op dit plaatje was toen één van de 225.000 dodelijke slachtoffers. Zijn beeld bracht me een gedicht.

Lees meer…

Drżenie (nasz dom)

Soms zijn personages als vrienden. Je leert elkaar kennen, er is een klik, je spreekt vaker af, je deelt tijd en ervaringen met elkaar. Soms denk je aan ze, soms vergeet je ze een tijdje. En soms verlies je elkaar uit het oog.

Lees meer…

Jeugdtheater

Max, ik heb de hoop zo’n beetje opgegeven
Geloof ik
Dat klinkt heel gek, ik hoor het mezelf zeggen
Opgegeven
Ik hoop dat je mijn vorige berichtjes hebt afgeluisterd
Gisteren hoopte ik nog dat je zou weten waar ik was
En dat er dan een helikopter over zou vliegen, met een
touwladder of zo
Maar er kwam niks
Weer niks
Het is toch niet te geloven, dat je opeens aan niemand kunt
vertellen waar je bent?
Ik ben hier Max!
Ik ben hier!

Ik voel de kou niet meer
Dat lijkt me geen goed teken
Ik blijf je bellen, je bent nog altijd het enige nummer dat te
bereiken is
Ik blijf je bellen
Kom me halen.

Dit is de eerste scène van Tril (ons huis), een jeugdtheatertekst over een aardbeving, liefde in voicemailberichtjes en een huis van herinneringen. Voor 2 personages, duur: 30-45 minuten. Download hier de volledige tekst.

Theater

De lucht die je ademt, is ouder dan de oudste boom
De zuurstof die jou leven doet, heeft gezworven
Door wolken licht en zwarte oceanen
Even is het in jou, even ben jij
Een huis
Deel je levens die gekomen en gegaan zijn
Misschien dat deze lucht
Mozes’ longen vulde toen hij voor een open zee stond
Of was het Jozefs laatste adem, een zucht van vertrouwen
In Maria’s armen en
God aan zijn bed
Misschien was het het laatste stemgeluid
Van een man op een heuvel die riep
Dat alles nu was volbracht

Ademhalen is niet moeilijk
Je doet het vijftien keer, elke minuut
Ook in de wereld die op je wacht, zal lucht en ruimte overal om je heen zijn
Als je met hem meeloopt
Heuvels op en af
Zul je ademem
En is hij de lucht

Maak dat ik ademen blijf, nog even
Stille bewegingen naar binnen en naar buiten
Maak dat ik lopen kan
Zodat ik, ook al ben ik nu weg
Straks weer terug kan keren
Als iemand me roept

Scène uit “Geen wonder”, samenwerkingsproject met Sara van Gennip. Een avondvullend stuk over de betekenis van geloof in onze tijd. Download hier de volledige tekst.

Proza

Als ik Risk naar me toe zie lopen, vanaf de overkant van het park, begrijp ik dat er iets mis is. Ik sta als enige op de uitkijk in ons kasteel. Op zijn weg hiernaartoe zit ik altijd schaamteloos lang naar hem te staren. Meestal probeert hij me wel van mijn stuk te brengen, met allerlei gekke loopjes en sprongetjes, het ene nog belachelijker dan het andere. Maar vanavond niet. Hij loopt deze kant op zonder omhoog te kijken. Hij doet wel alsof ie gewoon zijn gangetje loopt, maar hij vergeet zelfs zijn pijl-en-boog-move te maken als ie vlak onder me staat. Hij steekt alleen maar zijn vinger op als groet, en klimt de trap op naar mijn ‘torentje’.
‘Was ist loss?’ vraag ik als ie boven is.
‘Gar nichts. Sigarette?’
‘Bitte.’
We roken. ‘Noem eens wat naamvallen.’ Hij komt vrij dicht naast me staan.
‘Mooi niet.’
‘Weertje hè.’
‘Doe normaal.’
‘Stie,’ hij staart voor zich uit. ‘Wat vind je zo mooi aan deze plek?’
Hij vraagt naar de bekende weg. Het is een ontzettend mooie avond in september. Ons houten kasteel staat bovenop een heuvel, aan de oostkant van het Bronpark. De zon gaat precies daartegenover, aan de andere kant van het park, onder. En vanavond zijn de kleuren mooier dan ik ze ooit heb gezien. Fel oranje en rood, en de vormen van de laatste platte wolken scherp daar tegen afgetekend. Je kunt dat niet vastleggen op een foto, want het mooie is, die kleuren zijn overal waar je kijkt, achter je, boven je, dat past niet in een vakje van 10 bij 15.
Vanavond is er nog niemand van onze groep geweest, het was angstig stil. Totdat Risk naar me toe kwam lopen. En met deze vraag kwam. En ik denk na. Een hele tijd. Een sigaret lang. Dan zeg ik: ‘Het is niet mooi, ons kasteel. Dat hoeft ook niet. Het is hoog boven de grond, dat is goed. Er zit geen deur in, dat is goed, kan ook niemand hem dichtsmijten. Eigenlijk is het bedoeld om in rond te lopen, dus ik hoef je niet meteen weg te jagen als we ruzie hebben. Je loopt gewoon even een rondje en dan ben je er weer.’
‘En dan heb je geen ruzie meer,’ zegt Risk en knikt. ‘En je kunt elkaar bekijken van een afstandje, zonder dat het meteen lijkt alsof je weg bent gelopen.’
‘En je staat voor even boven alle mensen.’ zeg ik.
Een tijdje is het stil. Droevig stil, ondanks of misschien wel dankzij die mooie lucht. Hij port me in mijn zij, ik geef hem een klap op z’n achterhoofd.
Maar het helpt niet. Er blijft iets in de lucht hangen vanavond. Iets wat er niet hoort. Hij zucht. Dan loopt ie een half vierkant, twee uitkijkposten, zodat ie tegenover me staat aan de andere kant van het kasteel. De binnenplaats van zand daar beneden tussen ons in.
‘Dat zou je zeker ergens anders niet meer hebben,’ zegt hij. ‘Of wel?”
‘Wat?’
‘Gewoon, alles wat je hier hebt.’
Ik haal mijn schouders op.
‘Ze gaan de boel slopen,’ zegt hij dan.
‘O.’
Gek genoeg denk ik nog steeds: wat een ontzettend mooie avond toch, wat zou ik graag willen dat de lucht met al dat oranje en rood mij opslokt en met zich meeneemt, door de tijdzones heen, naar de volgende plek waar de avond ook zo mooi is, en dan weer door, en weer door – dat ik vanavond overal op de wereld zo’n avond mee mag maken, om dan 24 uur later weer hier terug te keren. Zoiets belachelijks bedenk ik, terwijl ik het schaap Stiene hoor blaten: ‘Waarom dan?’
‘Ik weet het niet precies, schijnt iets te zijn met opgravingen of zo. Het halve park gaat op de schop. En het kasteel wordt afgebroken en ergens anders opgebouwd, in ieder geval niet meer hier in het park.’
Ik kijk lang naar hem, aan de overkant van het kasteel, meters lucht tussen ons in. ‘Waarom moest je dat vertellen terwijl je zo ver van me af staat?’
Risk haalt zijn schouders op. ‘Je bent nogal een bozig tiep.’
‘Ben je bang dat ik je ga slaan?’
‘Ik kan je wel aan.’
‘Kom dan maar eens hier als je durft.’
Risk loopt terug. Als ie dichtbij genoeg is, begin ik op hem in te meppen. Handig pareert ie mijn slagen, en stompt me veel te zacht terug in mijn zij. Dan komt hij naast me staan. We kijken weer uit over het park, dat langzaam uitdooft.
‘Komt wel goed toch?’ mompelt ie.
‘Tuurlijk,’ murmel ik terug.
En dit zou zo’n mooi moment zijn om in close-up te zien hoe hij mijn hand zachtjes pakt, waarna er muziek opzwelt en we langzaam uitfaden, met de ondergaande zon als laatste beeld op ons netvlies.
Maar dat gebeurt niet, niet met Risk. Risk is van de woorden, die blijven echoën in je dromen. Risk is van het stoere masker, dat hij alleen op kan houden als je niet te dichtbij komt.
En Risk is van mij, zolang we hier zijn. Zolang dit bestaat. Als dit maar blijft bestaan.
Zo blijven we een hele poos staan, tot het te donker wordt om elkaar nog goed te zien.

Dit is het begin van de jeugdroman Risk, die in 2012 zal verschijnen bij Gottmer Uitgevers Groep.

Poëzie

Stoeprand

Als vanzelf begreep ik het
na jaren wachten en kijken
was er iets voorbij, de vrijheid werd
geroepen, door hongerstemmen overal
om me heen. Alles en iedereen
schreeuwde, danste, dankte God of het lot en
overal openden ogen,
wijd open ogen.

Meisjes lachten en staarden naar soldaten,
die brachten daglicht, je kon alles weer
verblindend zien, ik zag mezelf:
nog altijd bang,
en de levens die verloren en
hervonden waren, de ene die voorgoed verdween,
de ander die terugkwam naar het scheen – ik zag
en ik nam het waar, maar
voelde het niet.

Wat ik wel voelde:
de stilte na een granaat,
een eenzaam luchtalarm om half 4 in de ochtend,
een man, geraakt,
in het grind gevallen en achtergelaten
en langzaam sterft zijn stem
in as en brokstukken.

Ooit lagen er groene grastapijten in mijn hoofd.
Ooit komen ze terug.
Maar dit hier was mijn angst. Het waren jaren.

En aan de overkant staat hij.
Hij praat met zijn ogen naar mij,
hij zegt me dat dit altijd zo zal blijven:
de tijd begint opnieuw, en spijt
zal mensen altijd blijven leiden.
Er is maar één verlichting,
dat ben jij, zegt hij.
Dat ben jij, en wij blijven staan,
bestaan
soms onder-
en soms bovenaan de tijd.

Meer poëzie beschikbaar als PDF. Download hier.

Jeugdpoëzie

Het verhaal van de bladeren

‘Toch gek,’ zei papa vanochtend.
We fietsten over de dijk, het miezerde en waaide.
We waren bijna thuis.

‘Toch gek, hartje winter
en dan nog zoveel bladeren aan de boom.’
Ik knikte en dacht: je zegt maar wat,
niemand die ons hoort hier in de wind.

Maar nu
kijk ik door het raam en
geloof mijn eigen ogen niet:
een bladerregen op de dijk,
allemaal tegelijk
vallen ze
zweven en fladderen
ze lijken blij,
vrij, en dat alles
door één vader die zei:

‘Toch gek, hartje winter
en dan nog zoveel bladeren aan de boom.’

Opgenomen in Querido’s poëziespektakel Kwam dat zien! Kwam dat zien!, 2008

Meer jeugdpoëzie beschikbaar in PDF. Download hier.

Non-fictie

Het landschap God

Voor zover het lukt, probeer ik meestal de zondagsrust nog enigszins in stand te houden. Als je het mij vraagt, is het één van de beste dingen die God ooit heeft bedacht. Na me 6 dagen lang druk te hebben gemaakt over hoe ik waar en wanneer op tijd kom, hoeveel geld dat dan moet gaan kosten en wat ik tegen wie en waarom dan ga vertellen, is er één dag in de week waarop ik rustig de deur van mijn huis open kan doen en bij mezelf kan zeggen: vandaag is het gewoon even goed.

Een bezoek aan de kerk is daarvoor geen vereiste, het kan mij hooguit versterken in waar ik al mee bezig was: bezinnen. En soms kan het zelfs tegenwerken om naar een preek te moeten luisteren of liederen te zingen. Vaak immers zijn die vormen er om God te concretiseren. Binnen een religie, in dit geval het Christendom, hebben we daar globaal afspraken met elkaar over gemaakt: zó ongeveer is God, daar kun je van op aan, zó preken we dat op zondag. Toch heeft de Westerse God de afgelopen eeuwen veel verschillende gedaantes aangenomen. Dat zien we duidelijk terug in de kunst. In beeldende kunst, in muziek en in literaire werken – dus ook in dramatische teksten (toneel, film, tv).

Ondanks dat het tweede van de Tien Geboden ons verbiedt om God af te beelden, en ondanks dat nog altijd in bepaalde gelovige kringen het dramatisch weergeven van God – of überhaupt het naspelen of nabootsen van de werkelijkheid – als ongepast wordt gezien, zit er een enorme dramatische lading aan God, en dan vooral aan de verhouding tussen God en mensen. Drama, of conflict, vormt misschien wel de essentie van het hele christelijke geloof: God en de mens als twee tegengestelde krachten, en de menswording van Jezus die zijn noodzakelijke, verbindende rol speelt in dit drama. Kierkegaard zei iets soortgelijks toen hij Jezus verwoordde als ‘tijdgeworden eeuwigheid in de religieuze paradox tussen God en mens.’

God hoeft geen boze man op een donderwolk te zijn, boven het toneel getakeld als Deus Ex Machina. In de laatste eeuw(en) is een duidelijke ontwikkeling te zien in het weergeven van God als een dynamisch personage, met herkenbare ontwikkeling en karaktertrekken. Resultaat is een zeer diverse verzameling aan God-personages in hedendaagse dramatische teksten: van concreet tot abstract, dus van menselijk tot oneindig – maar op de een of andere manier altijd God.

Kan God dan een écht, geloofwaardig dramatisch personage zijn? Ja, dat kan Hij, maar niet altijd. En nee, dat kan Hij niet, maar soms kan Hij het even. Om dit uit te leggen zou nu de complete canon aan God-personages in een lange optocht voorbij kunnen trekken, maar het loont meer om die reeks kort samen te vatten, en dan verder te kijken.

Voorbeelden van God als aanwezig en aanwijsbaar dramatisch personage zijn er meer dan genoeg, en ze beginnen al opmerkelijk vroeg in de Joods-christelijke geschiedenis. Al aan het begin van het bijbelboek Job is een eigenaardig toneelstukje te vinden met God, de duivel, en de rest van de hemelse vergadertafel. Vele eeuwen later baseerde Johann Wolfgang Goethe de ‘hemelse proloog’ van zijn levenswerk Faust sterk op deze scène: ook hier vinden we God omringd door zijn aartsengelen, in een levendige discussie met Mefistofeles, de duivel.

Jan Wolkers haalde God letterlijk van die wolk af, in zijn komische eenakter Wegens sterfgeval gesloten uit 1963. God is nu een flamboyante veertiger in een grijs pak met een witte roos in zijn knoopsgat. Was God in de eerste twee voorbeelden nog vooral God en weinig mens, hier wordt hij zeer menselijk, chagrijnig en impulsief, en dreigt hij juist zijn goddelijke waardigheid te verliezen.

Een kruispunt tussen die goddelijkheid en menselijkheid vinden we in het personage Jezus.  Hij kan zowel mens als God in één zijn en wordt daarmee dramatisch al veel interessanter. Over hem zijn tientallen toneelstukken en films geschreven.

Nog interessanter wordt het wanneer we in een toneelstuk een mens tegenkomen die geen Jezus of God heet, en toch beweert God te zijn. Een voorbeeld daarvan vinden we in het stuk Tanchelijn van Harry Mulisch, uit 1961. De hoofdpersoon is een vermeende ketter, die als mens God lijkt te worden binnen één scène, en zelfs de onpartijdige lezer hiermee op zijn minst tot aarzeling brengt. Een actueler voorbeeld is de Amerikaanse tv-serie Joan of Arcadia, een paar jaar geleden uitgezonden op RTL4. De hoofdpersoon van deze serie komt in de eerste aflevering een jongen op straat tegen, die na enkele minuten simpelweg bekend maakt: ik ben God.

We hebben dan twee belangrijke vormen van het personage God gehad: God als aanwezig personage (als God in de hemel of als Jezus), en God als mens. Maar God kan ook een áfwezig personage zijn, en zelfs een landschap.

Voor God als afwezig personage duiken we in het toneelstuk De duivel en God van Jean Paul Sartre, uit 1951. De hoofdpersoon van dit stuk, generaal Goetz, doet eerst een poging om de duivel, het Kwaad in eigen persoon te worden, om daarna de tegenovergestelde richting een kans te geven: hij wil God worden, in volmaakte Goedheid. Beide pogingen mislukken; we krijgen God noch duivel in hem te zien. Tegen het einde van het stuk komt hij zelf ook tot die conclusie, in een beroemde monoloog die afsluit met:

Zie je die leegte boven ons hoofd? Dat is God. Zie je die barst in de deur? Dat is God. Zie je dit gat in de grond? Dat is ook God. De stilte, dat is God. De afwezigheid, dat is God. God is de eenzaamheid van de mensen. Er was niets anders dan ik. Ik alleen heb over het Kwade beslist, ik alleen heb het Goede bedacht. (…) Als God bestaat, is de mens niets; als de mens bestaat…’

In enkele regels verwoordt hij de gedachte die het hele toneelstuk uitademt: Goed en Kwaad, God en Duivel, zijn in de wereld van Goetz krachten waarvan je je bewust bent van hun afwezigheid. Ze worden zo vaak bij name genoemd, dat ze tot holle ruimtes verworden. Zwarte gaten. Ze bestaan in hun niet-bestaan, ze zijn in die rol zelfs van levensgroot belang. Ze trekken de zoekende mens namelijk aan, maar zonder een einddoel te zijn: op dit punt in zijn zoektocht concludeert Goetz dat hij het zelf moet doen, dat hij Goed en Kwaad in zichzelf kan vinden. Dat inzicht is het einddoel, niet God of de duivel. Daarom kun je zeggen dat God in de werkelijkheid van dit stuk een bewust afwezig personage is.

De stilte, de afwezigheid, dat is God, schrijft Sartre. Maar heeft hij hiermee werkelijk willen beweren dat God in zijn algemeenheid niet bestaat? Of wil hij misschien alleen duidelijk maken dat God niet bestaat in de vorm zoals wij die in de loop van vele eeuwen aan hem hebben gegeven? We hebben God enorm willen concretiseren: hij heeft een naam gekregen, een gezicht. Theater is daarin wellicht zelfs een eindstation: God wordt tastbaar, zowel fysiek als geestelijk: we moeten Hem kunnen grijpen en begrijpen, kunnen doorgronden zoals we onze medemens kunnen doorgronden. Maar is dat wel een goed streven?

God zelf zegt daar ook iets over, in het Oude Testament (Exodus 33). Op het moment dat Mozes in de woestijn aan hem vraagt of Hij zich aan Mozes wil tonen, antwoordt God:

‘Ik zal in mijn volle luister voor je langs gaan en in jouw bijzijn de naam HEER uitroepen. (…) Maar mijn gezicht zul je niet kunnen zien, want geen mens kan mij zien en in leven blijven. (…) Als ik mijn hand weghaal, zul je mij van achteren zien; mijn gezicht mag niemand zien.’

Juist op het moment dat God voorbij komt, mag Mozes niets zien. Hij moet zijn ogen richten op het niets – niet alleen uit eerbied: het is voor zijn eigen bestwil, want hij zou ter plekke dood neervallen als hij God van de voorkant zag. Vergelijk deze enorme voorzichtigheid eens met het gemak waarop een aantal eerdergenoemde teksten omgaan met het in beeld brengen van God. Is het niet begrijpelijk dat Sartre ervoor kiest om, juist op het moment dat zijn hoofdpersoon tot het ultieme inzicht komt, God te ontkennen? Die óntkenning is namelijk de buitenkant: Gods érkenning zit er stiekem binnenin. Sartre schetst Gods afwezigheid uit eerbied, uit noodzaak, omdat dat de enige manier is om God te kunnen omschrijven. Hij is niet te vatten in taal of in beelden. Hij is slechts te vatten in de leegte, de ontkenning, Hij is slechts te zien zoals Mozes hem zag: met de rug naar Hem toe.

Maar zelfs als dat niet Sartres bedoeling was, zelfs als de schrijver daadwerkelijk heeft willen zeggen: God als zodanig bestaat niet. Maakt dat inzicht Hem dan minder waardevol? Schakelt die gedachte God compleet uit?

Die vraag stelt emeritus hoogleraar Herman van Praag ook in zijn essay Een nobele illusie (Trouw, 15 november 2008). Van Praag onderstreept hierin de waarde van religieuze gevoelens en verlangens, met name in het psychische helings- of genezingsproces, maar ook in het alledaagse leven van mensen. Hij vraagt zich af waarom de psychiatrie zo verbeten iedere vorm van aanwezigheid van God uit het denkpatroon van mensen wil halen: “Laten we aannemen dat God inderdaad een hardnekkige illusie is. En wat dan nog? Het gaat dan om een in wezen nobele illusie. Een verbeelding van een symbool voor ultieme rechtvaardigheid en ultiem mededogen; een denkbeeld én gevoelsbeeld dat het leven in de dubbele betekenis van het woord kan verlichten en dat geladen is met een onovertroffen zingevende potentie.”

Een mooie stelling, die je ook goed toe kunt passen op het maken van kunst. Hij zou dan nog aangesterkt kunnen worden: niet alleen kan God van waarde zijn ook al bestaat Hij niet echt: júist in het niet concreet bestaan kan God een ongekende kracht uitoefenen. Ook al geloof je niet in die man op die wolk, of met dat lichtgrijze pak en die witte roos in zijn knoopsgat, dan nog kan alleen al het idee God symbool staan voor thema’s als verwondering, nederigheid, liefde, eerlijkheid, rechtvaardigheid, en hoop voor de toekomst. Het zijn thema’s en kleuren die in hun breedste betekenis niet slechts door menselijke begrippen gedragen kunnen worden: ze raken aan iets overkoepelends, iets dat ons in perspectief van een groter geheel ziet. Is God nog een geloofwaardig dramatisch personage? Nee, niet als machtige, afstandelijke man. Maar wel als het groen en blauw tussen de huizen en de mensen, kortom: als landschap. Het landschap God als sturende kracht achter personages en inzichten.

In plaats van de chaos die wij zo vrezen, is er die nobele illusie die alles in een tekst samenbindt. Temidden van de weerzinwekkende snelheid en anonimiteit die onze tijd met zich meebrengt, zou je zo’n toonzetting in teksten kunnen zien als sabbat, zondagsrust na al dat streven. Een dag van bezinning, maar dan zonder dat truttige gebod om op je kont te blijven zitten – nee, een poging om het idee God weer een plaats te geven in ons denkpatroon, vraagt juist om een actieve, positieve houding. Met het ontkennen van het bestaan van een zingevende God ontdek je niets; je ontregelt slechts, je breekt af. Het is tijd voor een nieuwe verwondering voor de mens, zijn afkomst, en vooral: zijn tóekomst. Hoogdravend? Misschien, maar dat geeft niet: het is toch maar taal. God vind je in het wit tussen de regels.

Dit artikel is een vervolg op mijn afstudeerscriptie “Schepper, verlosser, mens en afwezige. God als personage in theaterteksten.” Het artikel is gepubliceerd in religie-magazine Woord en Dienst van januari 2009.

© Jelmer Soes