Over de doden…

‘Hij was als God in het theater.’
‘Een apostel van de vrijheid.’
‘De laatste jaren kreeg hij voor mij toch wel Messiaanse trekjes.’
‘Ik ben een bekeerling.’
‘Mijn Bijbel is dood.’

Het is een greep uit de vele eerbetonen en superlatieven die gisteren langskwamen op tv. Die ochtend overleed Ramses Shaffy, en alle belangrijke actualiteitenprogramma’s waren – terecht – gewijd aan zijn dood. Een kenner van zijn werk of leven ben ik zeker niet, wel weet ik dat het een bijzondere man was die tot veler verbeelding sprak. Als ik de commentaren mag geloven, was hij een symbool voor Nederland, en tegelijkertijd zo on-Nederlands in zijn romantische, extraverte levenshouding.

Opvallend aan bovenstaand lijstje is niet alleen dat al deze uitspraken werden gedaan binnen één programma (De Wereld Draait Door). Zoals je al wel had gemerkt, raken ze allemaal aan iets religieus. Sterker nog: vrijwel altijd aan iets Bijbels. Messias, apostel, bekeerling, Bijbel… God. Je krijgt het idee dat dit een vrijwel bovennatuurlijke verschijning moet zijn geweest, deze man met de mooie, exotische naam. Hoe is dat ontstaan?

Een zure verklaring zou zijn dat onze massamedia tegenwoordig zo ontzettend in de waan van de dag leven. Iedere ramp is een ‘inktzwarte dag’, elke bijzondere Nederlander die overlijdt een ‘icoon’, een maatschappelijke misstap al snel een ‘schandaal’ of ‘drama’. Dus als een alom geliefde zanger/componist/acteur overlijdt, struikelen we over elkaar heen in het bedenken van de mooist klinkende superlatieven. Binnen een etmaal is iemand bijna God geworden. Weet je wel wat je zegt als je een verwarde man in een verzorgingstehuis in de laatste jaren van zijn bewogen leven Messiaanse trekjes toeschrijft? De ‘dode Bijbel’ kwam van de Twitter van Claudia de Breij. Ze verklaarde het als het wegvallen van haar bron van troost. Dat is mooi, waarom verwoordt je het dan niet op die manier? Omdat Bijbel gewoon lekker bekt, omdat je het snel hebt getwitterd en je je dan kunt voorbereiden op je optreden in DWDD die avond.

Een groot woord is zo klein als het aantal letters dat het bevat.

Een minder zure verklaring is dat de persoon Ramses Shaffy tot dit soort superlatieven uitnodigde. Zijn leven zelf was een vergrotende trap, zijn teksten en composities doorspekt van religieuze kenmerken. Als we zijn laatste jaren als Korsakov-patiënt vergeten, stuiten we al snel op beelden van een jonge man wiens levendigheid van het scherm spatte. Zijn uitstraling was zo vol, warm en schitterend, dat mensen er verlegen en tegelijk geestdriftig van werden. Live-versies van zijn Shaffy-cantate laten dat heel mooi zien. Minister Plasterk verwoordde het gisteren misschien nog wel het beste: ‘Zijn stem leek direct op zijn ziel aangesloten.’

Een eigenschap die maar weinigen van ons bezitten. En wellicht liet het voorbeeld Ramses Shaffy zien dat je er eigenlijk ook niet echt (evenwichtig) mee kan leven. De grenzen van je lichaam zijn sneller bereikt dan je lief is. Om over de grenzen van het land waarin je leeft nog maar te zwijgen.

Kon hij nog ergens boos om worden, werd hem gevraagd tijdens een interview in het verzorgingstehuis in Amsterdam. Jazeker, zei Ramses Shaffy. Dat ie zijn onderbroeken hier in moest leveren bij de was.
Even later spraken ze over de componist Shaffy. ‘Hij schijnt hier in de buurt te wonen,’ zei Shaffy. ‘Ik zou graag eens wat met hem drinken.’
Was het een grapje? Minutenlang ging het gesprek nog door over deze zonderlinge componist. Ergens scheen er iets door van de wanorde in zijn hoofd: hij meende het. Hij hoopte echt die componist nog eens te mogen ontmoeten. Was het niet in dit leven, dan wel later in de hemel. En dan zou het een mooi gesprek worden. Want over de doden niets dan goeds.

Door een tuintje in je hart
ga je anders naar Nederlandse zangers luisteren…

Frank Boeijen: een cactus in zijn keel
Dinand van Kane: een grindpad in zijn neus
Lee Towers: klimop in zijn elleboog

en Ramses Shaffy,
vele mensen die vandaag pas zijn werk kochten
weten het nu ook:

Ramses had iets in zijn lichaam
waar wij met zijn allen in rond mochten dwalen.

Hij had een onmetelijk landschap om zijn ziel.

(Nico Dijkshoorn, De Wereld Draait Door, 2 december 2009)

(Illustratie bovenaan: Marianne Haas)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *