Plain Helvetica

“Wake up and smell the coffee, light up and dwell the offerings, drink with a thinking pinch, sit with a kitchen sink.” Zo klinkt het begin van het einde van The Streets. Jonge, snelle, rauwe, Britse poëzie op muziek die daar niet bij lijkt te passen. En het toch doet.

The Streets zijn gestopt, Computers and Blues, dit jaar uitgekomen, was hun laatste album. Dat album opent met het boren van een gat in de muur. Hier ben ik, lijkt Mike Skinner te zeggen, ik gooi zelfverzekerd mijn teksten naar jouw kant van de muur en dan ben ik weer weg.

Maar wat je zou kunnen zien als harde inzichten in spierballentaal (“At the end of the tunnel there is always light, it just might be a train”) herbergt nog iets anders: de gevoelens van een jongen. Gewoon, zoals jij en ik, ergens op straat, met een stem van een generatie die ik herken.

Luisterend naar The Streets waan je je in de buitenwijken van Birmingham, tussen roestbruine bakstenen huizen en door flats overschaduwde straathoeken. Het leven zal er niet per se fijn en goed zijn. Maar een kenmerk van leven is dat het altijd, op alle mogelijke belachelijke manieren, zal proberen ‘er te zijn’: leven wil léven, wil in leven blijven, ook in uitzichtloze situaties. Dat we opeens volwassen zijn en dan worden geacht het leven rationeel te kunnen beschouwen, met verstandige keuzes en een goed plan, neemt niet weg dat er diep daaronder nog steeds maar één wil is: gewoon leven. “The oldest cell in my body’s only 10 years old. (…) I’m just a child who got a few years older.”

The Streets is hiphop/rap/garage, maar dan zonder het borstkloppen. Mike Skinner rapt niet, hij draagt poëzie voor. Met ademhalen. En eerlijkheid. Over jongeren in een samenleving die aan elkaar hangt van snelheid en effect. “I know my exit strategies and I never plan anything, so in fifteen minutes I can be absolutely anywhere.” Dat klinkt mooi, de stuurloosheid van het leven vieren, er deel van uitmaken, maar het heeft ook een andere kant. The Streets werd eerder bekend met het nummer “Blinded by the lights”, waarin frustratie en verlatenheid omslaan in alcohol, drugs, desoriëntatie en het verdrinken in de wereld van de lichten.

En dan is er het verdriet. Onzekerheid, liefdesverdriet. Heel veel verlies is er in de jaren die je leven vormen. Geen ‘echt’ verlies, zullen wij volwassenen zeggen, geen dood, geen verlies van dromen – stel je niet aan, je bent nog jong en alles kan nog, toch? Ja, en juist dat maakt de impact van alles wat er om je heen – in volle snelheid – gebeurt, groter, en allesbepalend. Hoe ouder je wordt, hoe meer je wordt geacht alles kapot te relativeren. Maar wie eerlijk is, geeft toe dat er diep van binnen nooit iets verandert, dat ‘volwassen worden’ alleen betekent dat je trucjes leert om de pijn te verbloemen en net te doen alsof je sterk bent. I’m just a child who got a few years older.

Over een verbroken relatie die allang geen realiteit meer is, schrijft Skinner ook. Soms tegen het tranentrekken aan, zoals in We can never be friends. Soms ook in kale realiteit: in 2011 uit heimwee naar een verloren relatie zich in het opzoeken van je ex op Facebook. “I looked at your status: in a relationship. In a relationship. An earthquake hit me.”

Wie doet het niet, of heeft het niet ooit gedaan, in een verloren kwartiertje die ene naam in Facebook zoeken die ooit een werkelijkheid voor je was? Ieder verleden dat je af had gesloten, is tegenwoordig terug te vinden. De wereld is minimaal geworden, elke afstand – ook in tijd! – is overbrugbaar.

“In a relationship. Plain Helvetica. So walk away and let it go.” En dat is het. De snelheid van het leven zegt dat je alweer door moet gaan, verder met het bouwen van je eigen status. Maar de aardbeving is geweest, de naschokken blijven komen. Veel doe je er niet aan, gewoon doorleven, omdat dat is wat het leven altijd wil. Doorgaan. “If you’re going through hell, keep going.”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *