Non-fictie

Het landschap God

Voor zover het lukt, probeer ik meestal de zondagsrust nog enigszins in stand te houden. Als je het mij vraagt, is het één van de beste dingen die God ooit heeft bedacht. Na me 6 dagen lang druk te hebben gemaakt over hoe ik waar en wanneer op tijd kom, hoeveel geld dat dan moet gaan kosten en wat ik tegen wie en waarom dan ga vertellen, is er één dag in de week waarop ik rustig de deur van mijn huis open kan doen en bij mezelf kan zeggen: vandaag is het gewoon even goed.

Een bezoek aan de kerk is daarvoor geen vereiste, het kan mij hooguit versterken in waar ik al mee bezig was: bezinnen. En soms kan het zelfs tegenwerken om naar een preek te moeten luisteren of liederen te zingen. Vaak immers zijn die vormen er om God te concretiseren. Binnen een religie, in dit geval het Christendom, hebben we daar globaal afspraken met elkaar over gemaakt: zó ongeveer is God, daar kun je van op aan, zó preken we dat op zondag. Toch heeft de Westerse God de afgelopen eeuwen veel verschillende gedaantes aangenomen. Dat zien we duidelijk terug in de kunst. In beeldende kunst, in muziek en in literaire werken – dus ook in dramatische teksten (toneel, film, tv).

Ondanks dat het tweede van de Tien Geboden ons verbiedt om God af te beelden, en ondanks dat nog altijd in bepaalde gelovige kringen het dramatisch weergeven van God – of überhaupt het naspelen of nabootsen van de werkelijkheid – als ongepast wordt gezien, zit er een enorme dramatische lading aan God, en dan vooral aan de verhouding tussen God en mensen. Drama, of conflict, vormt misschien wel de essentie van het hele christelijke geloof: God en de mens als twee tegengestelde krachten, en de menswording van Jezus die zijn noodzakelijke, verbindende rol speelt in dit drama. Kierkegaard zei iets soortgelijks toen hij Jezus verwoordde als ‘tijdgeworden eeuwigheid in de religieuze paradox tussen God en mens.’

God hoeft geen boze man op een donderwolk te zijn, boven het toneel getakeld als Deus Ex Machina. In de laatste eeuw(en) is een duidelijke ontwikkeling te zien in het weergeven van God als een dynamisch personage, met herkenbare ontwikkeling en karaktertrekken. Resultaat is een zeer diverse verzameling aan God-personages in hedendaagse dramatische teksten: van concreet tot abstract, dus van menselijk tot oneindig – maar op de een of andere manier altijd God.

Kan God dan een écht, geloofwaardig dramatisch personage zijn? Ja, dat kan Hij, maar niet altijd. En nee, dat kan Hij niet, maar soms kan Hij het even. Om dit uit te leggen zou nu de complete canon aan God-personages in een lange optocht voorbij kunnen trekken, maar het loont meer om die reeks kort samen te vatten, en dan verder te kijken.

Voorbeelden van God als aanwezig en aanwijsbaar dramatisch personage zijn er meer dan genoeg, en ze beginnen al opmerkelijk vroeg in de Joods-christelijke geschiedenis. Al aan het begin van het bijbelboek Job is een eigenaardig toneelstukje te vinden met God, de duivel, en de rest van de hemelse vergadertafel. Vele eeuwen later baseerde Johann Wolfgang Goethe de ‘hemelse proloog’ van zijn levenswerk Faust sterk op deze scène: ook hier vinden we God omringd door zijn aartsengelen, in een levendige discussie met Mefistofeles, de duivel.

Jan Wolkers haalde God letterlijk van die wolk af, in zijn komische eenakter Wegens sterfgeval gesloten uit 1963. God is nu een flamboyante veertiger in een grijs pak met een witte roos in zijn knoopsgat. Was God in de eerste twee voorbeelden nog vooral God en weinig mens, hier wordt hij zeer menselijk, chagrijnig en impulsief, en dreigt hij juist zijn goddelijke waardigheid te verliezen.

Een kruispunt tussen die goddelijkheid en menselijkheid vinden we in het personage Jezus.  Hij kan zowel mens als God in één zijn en wordt daarmee dramatisch al veel interessanter. Over hem zijn tientallen toneelstukken en films geschreven.

Nog interessanter wordt het wanneer we in een toneelstuk een mens tegenkomen die geen Jezus of God heet, en toch beweert God te zijn. Een voorbeeld daarvan vinden we in het stuk Tanchelijn van Harry Mulisch, uit 1961. De hoofdpersoon is een vermeende ketter, die als mens God lijkt te worden binnen één scène, en zelfs de onpartijdige lezer hiermee op zijn minst tot aarzeling brengt. Een actueler voorbeeld is de Amerikaanse tv-serie Joan of Arcadia, een paar jaar geleden uitgezonden op RTL4. De hoofdpersoon van deze serie komt in de eerste aflevering een jongen op straat tegen, die na enkele minuten simpelweg bekend maakt: ik ben God.

We hebben dan twee belangrijke vormen van het personage God gehad: God als aanwezig personage (als God in de hemel of als Jezus), en God als mens. Maar God kan ook een áfwezig personage zijn, en zelfs een landschap.

Voor God als afwezig personage duiken we in het toneelstuk De duivel en God van Jean Paul Sartre, uit 1951. De hoofdpersoon van dit stuk, generaal Goetz, doet eerst een poging om de duivel, het Kwaad in eigen persoon te worden, om daarna de tegenovergestelde richting een kans te geven: hij wil God worden, in volmaakte Goedheid. Beide pogingen mislukken; we krijgen God noch duivel in hem te zien. Tegen het einde van het stuk komt hij zelf ook tot die conclusie, in een beroemde monoloog die afsluit met:

Zie je die leegte boven ons hoofd? Dat is God. Zie je die barst in de deur? Dat is God. Zie je dit gat in de grond? Dat is ook God. De stilte, dat is God. De afwezigheid, dat is God. God is de eenzaamheid van de mensen. Er was niets anders dan ik. Ik alleen heb over het Kwade beslist, ik alleen heb het Goede bedacht. (…) Als God bestaat, is de mens niets; als de mens bestaat…’

In enkele regels verwoordt hij de gedachte die het hele toneelstuk uitademt: Goed en Kwaad, God en Duivel, zijn in de wereld van Goetz krachten waarvan je je bewust bent van hun afwezigheid. Ze worden zo vaak bij name genoemd, dat ze tot holle ruimtes verworden. Zwarte gaten. Ze bestaan in hun niet-bestaan, ze zijn in die rol zelfs van levensgroot belang. Ze trekken de zoekende mens namelijk aan, maar zonder een einddoel te zijn: op dit punt in zijn zoektocht concludeert Goetz dat hij het zelf moet doen, dat hij Goed en Kwaad in zichzelf kan vinden. Dat inzicht is het einddoel, niet God of de duivel. Daarom kun je zeggen dat God in de werkelijkheid van dit stuk een bewust afwezig personage is.

De stilte, de afwezigheid, dat is God, schrijft Sartre. Maar heeft hij hiermee werkelijk willen beweren dat God in zijn algemeenheid niet bestaat? Of wil hij misschien alleen duidelijk maken dat God niet bestaat in de vorm zoals wij die in de loop van vele eeuwen aan hem hebben gegeven? We hebben God enorm willen concretiseren: hij heeft een naam gekregen, een gezicht. Theater is daarin wellicht zelfs een eindstation: God wordt tastbaar, zowel fysiek als geestelijk: we moeten Hem kunnen grijpen en begrijpen, kunnen doorgronden zoals we onze medemens kunnen doorgronden. Maar is dat wel een goed streven?

God zelf zegt daar ook iets over, in het Oude Testament (Exodus 33). Op het moment dat Mozes in de woestijn aan hem vraagt of Hij zich aan Mozes wil tonen, antwoordt God:

‘Ik zal in mijn volle luister voor je langs gaan en in jouw bijzijn de naam HEER uitroepen. (…) Maar mijn gezicht zul je niet kunnen zien, want geen mens kan mij zien en in leven blijven. (…) Als ik mijn hand weghaal, zul je mij van achteren zien; mijn gezicht mag niemand zien.’

Juist op het moment dat God voorbij komt, mag Mozes niets zien. Hij moet zijn ogen richten op het niets – niet alleen uit eerbied: het is voor zijn eigen bestwil, want hij zou ter plekke dood neervallen als hij God van de voorkant zag. Vergelijk deze enorme voorzichtigheid eens met het gemak waarop een aantal eerdergenoemde teksten omgaan met het in beeld brengen van God. Is het niet begrijpelijk dat Sartre ervoor kiest om, juist op het moment dat zijn hoofdpersoon tot het ultieme inzicht komt, God te ontkennen? Die óntkenning is namelijk de buitenkant: Gods érkenning zit er stiekem binnenin. Sartre schetst Gods afwezigheid uit eerbied, uit noodzaak, omdat dat de enige manier is om God te kunnen omschrijven. Hij is niet te vatten in taal of in beelden. Hij is slechts te vatten in de leegte, de ontkenning, Hij is slechts te zien zoals Mozes hem zag: met de rug naar Hem toe.

Maar zelfs als dat niet Sartres bedoeling was, zelfs als de schrijver daadwerkelijk heeft willen zeggen: God als zodanig bestaat niet. Maakt dat inzicht Hem dan minder waardevol? Schakelt die gedachte God compleet uit?

Die vraag stelt emeritus hoogleraar Herman van Praag ook in zijn essay Een nobele illusie (Trouw, 15 november 2008). Van Praag onderstreept hierin de waarde van religieuze gevoelens en verlangens, met name in het psychische helings- of genezingsproces, maar ook in het alledaagse leven van mensen. Hij vraagt zich af waarom de psychiatrie zo verbeten iedere vorm van aanwezigheid van God uit het denkpatroon van mensen wil halen: “Laten we aannemen dat God inderdaad een hardnekkige illusie is. En wat dan nog? Het gaat dan om een in wezen nobele illusie. Een verbeelding van een symbool voor ultieme rechtvaardigheid en ultiem mededogen; een denkbeeld én gevoelsbeeld dat het leven in de dubbele betekenis van het woord kan verlichten en dat geladen is met een onovertroffen zingevende potentie.”

Een mooie stelling, die je ook goed toe kunt passen op het maken van kunst. Hij zou dan nog aangesterkt kunnen worden: niet alleen kan God van waarde zijn ook al bestaat Hij niet echt: júist in het niet concreet bestaan kan God een ongekende kracht uitoefenen. Ook al geloof je niet in die man op die wolk, of met dat lichtgrijze pak en die witte roos in zijn knoopsgat, dan nog kan alleen al het idee God symbool staan voor thema’s als verwondering, nederigheid, liefde, eerlijkheid, rechtvaardigheid, en hoop voor de toekomst. Het zijn thema’s en kleuren die in hun breedste betekenis niet slechts door menselijke begrippen gedragen kunnen worden: ze raken aan iets overkoepelends, iets dat ons in perspectief van een groter geheel ziet. Is God nog een geloofwaardig dramatisch personage? Nee, niet als machtige, afstandelijke man. Maar wel als het groen en blauw tussen de huizen en de mensen, kortom: als landschap. Het landschap God als sturende kracht achter personages en inzichten.

In plaats van de chaos die wij zo vrezen, is er die nobele illusie die alles in een tekst samenbindt. Temidden van de weerzinwekkende snelheid en anonimiteit die onze tijd met zich meebrengt, zou je zo’n toonzetting in teksten kunnen zien als sabbat, zondagsrust na al dat streven. Een dag van bezinning, maar dan zonder dat truttige gebod om op je kont te blijven zitten – nee, een poging om het idee God weer een plaats te geven in ons denkpatroon, vraagt juist om een actieve, positieve houding. Met het ontkennen van het bestaan van een zingevende God ontdek je niets; je ontregelt slechts, je breekt af. Het is tijd voor een nieuwe verwondering voor de mens, zijn afkomst, en vooral: zijn tóekomst. Hoogdravend? Misschien, maar dat geeft niet: het is toch maar taal. God vind je in het wit tussen de regels.

Dit artikel is een vervolg op mijn afstudeerscriptie “Schepper, verlosser, mens en afwezige. God als personage in theaterteksten.” Het artikel is gepubliceerd in religie-magazine Woord en Dienst van januari 2009.

© Jelmer Soes

Comments are closed, but trackbacks and pingbacks are open.