Proza

Als ik Risk naar me toe zie lopen, vanaf de overkant van het park, begrijp ik dat er iets mis is. Ik sta als enige op de uitkijk in ons kasteel. Op zijn weg hiernaartoe zit ik altijd schaamteloos lang naar hem te staren. Meestal probeert hij me wel van mijn stuk te brengen, met allerlei gekke loopjes en sprongetjes, het ene nog belachelijker dan het andere. Maar vanavond niet. Hij loopt deze kant op zonder omhoog te kijken. Hij doet wel alsof ie gewoon zijn gangetje loopt, maar hij vergeet zelfs zijn pijl-en-boog-move te maken als ie vlak onder me staat. Hij steekt alleen maar zijn vinger op als groet, en klimt de trap op naar mijn ‘torentje’.
‘Was ist loss?’ vraag ik als ie boven is.
‘Gar nichts. Sigarette?’
‘Bitte.’
We roken. ‘Noem eens wat naamvallen.’ Hij komt vrij dicht naast me staan.
‘Mooi niet.’
‘Weertje hè.’
‘Doe normaal.’
‘Stie,’ hij staart voor zich uit. ‘Wat vind je zo mooi aan deze plek?’
Hij vraagt naar de bekende weg. Het is een ontzettend mooie avond in september. Ons houten kasteel staat bovenop een heuvel, aan de oostkant van het Bronpark. De zon gaat precies daartegenover, aan de andere kant van het park, onder. En vanavond zijn de kleuren mooier dan ik ze ooit heb gezien. Fel oranje en rood, en de vormen van de laatste platte wolken scherp daar tegen afgetekend. Je kunt dat niet vastleggen op een foto, want het mooie is, die kleuren zijn overal waar je kijkt, achter je, boven je, dat past niet in een vakje van 10 bij 15.
Vanavond is er nog niemand van onze groep geweest, het was angstig stil. Totdat Risk naar me toe kwam lopen. En met deze vraag kwam. En ik denk na. Een hele tijd. Een sigaret lang. Dan zeg ik: ‘Het is niet mooi, ons kasteel. Dat hoeft ook niet. Het is hoog boven de grond, dat is goed. Er zit geen deur in, dat is goed, kan ook niemand hem dichtsmijten. Eigenlijk is het bedoeld om in rond te lopen, dus ik hoef je niet meteen weg te jagen als we ruzie hebben. Je loopt gewoon even een rondje en dan ben je er weer.’
‘En dan heb je geen ruzie meer,’ zegt Risk en knikt. ‘En je kunt elkaar bekijken van een afstandje, zonder dat het meteen lijkt alsof je weg bent gelopen.’
‘En je staat voor even boven alle mensen.’ zeg ik.
Een tijdje is het stil. Droevig stil, ondanks of misschien wel dankzij die mooie lucht. Hij port me in mijn zij, ik geef hem een klap op z’n achterhoofd.
Maar het helpt niet. Er blijft iets in de lucht hangen vanavond. Iets wat er niet hoort. Hij zucht. Dan loopt ie een half vierkant, twee uitkijkposten, zodat ie tegenover me staat aan de andere kant van het kasteel. De binnenplaats van zand daar beneden tussen ons in.
‘Dat zou je zeker ergens anders niet meer hebben,’ zegt hij. ‘Of wel?”
‘Wat?’
‘Gewoon, alles wat je hier hebt.’
Ik haal mijn schouders op.
‘Ze gaan de boel slopen,’ zegt hij dan.
‘O.’
Gek genoeg denk ik nog steeds: wat een ontzettend mooie avond toch, wat zou ik graag willen dat de lucht met al dat oranje en rood mij opslokt en met zich meeneemt, door de tijdzones heen, naar de volgende plek waar de avond ook zo mooi is, en dan weer door, en weer door – dat ik vanavond overal op de wereld zo’n avond mee mag maken, om dan 24 uur later weer hier terug te keren. Zoiets belachelijks bedenk ik, terwijl ik het schaap Stiene hoor blaten: ‘Waarom dan?’
‘Ik weet het niet precies, schijnt iets te zijn met opgravingen of zo. Het halve park gaat op de schop. En het kasteel wordt afgebroken en ergens anders opgebouwd, in ieder geval niet meer hier in het park.’
Ik kijk lang naar hem, aan de overkant van het kasteel, meters lucht tussen ons in. ‘Waarom moest je dat vertellen terwijl je zo ver van me af staat?’
Risk haalt zijn schouders op. ‘Je bent nogal een bozig tiep.’
‘Ben je bang dat ik je ga slaan?’
‘Ik kan je wel aan.’
‘Kom dan maar eens hier als je durft.’
Risk loopt terug. Als ie dichtbij genoeg is, begin ik op hem in te meppen. Handig pareert ie mijn slagen, en stompt me veel te zacht terug in mijn zij. Dan komt hij naast me staan. We kijken weer uit over het park, dat langzaam uitdooft.
‘Komt wel goed toch?’ mompelt ie.
‘Tuurlijk,’ murmel ik terug.
En dit zou zo’n mooi moment zijn om in close-up te zien hoe hij mijn hand zachtjes pakt, waarna er muziek opzwelt en we langzaam uitfaden, met de ondergaande zon als laatste beeld op ons netvlies.
Maar dat gebeurt niet, niet met Risk. Risk is van de woorden, die blijven echoën in je dromen. Risk is van het stoere masker, dat hij alleen op kan houden als je niet te dichtbij komt.
En Risk is van mij, zolang we hier zijn. Zolang dit bestaat. Als dit maar blijft bestaan.
Zo blijven we een hele poos staan, tot het te donker wordt om elkaar nog goed te zien.

Dit is het begin van de jeugdroman Risk, die in 2012 zal verschijnen bij Gottmer Uitgevers Groep.

Comments are closed, but trackbacks and pingbacks are open.