Zijn wij Narziss of Goldmund?

Op 17 juni 2016 las ik de eerste Pluijmlezing voor, een jaarlijkse lezing over non-fictioneel schrijven, gekoppeld aan de uitreiking van De Pluijm. De lezing en prijsuitreiking vonden plaats tijdens de presentatie van Dansende tongen, het nieuwste boek van het HKU Lectoraat Performatieve Maakprocessen.

Dames en heren,

Ik deel een geschiedenis met de schrijvers van Dansende tongen. Wij allen studeerden af aan de Schrijfopleiding. En wij allen kregen les van een voormalige docent van velen die hier vandaag aanwezig zijn, een scriptiebegeleider, docent poëzie en beschouwend schrijven, die inmiddels al weer meer dan anderhalf jaar niet meer onder ons is: Cees van der Pluijm. Voor de scripties waaruit het boek Dansende tongen ontstond, zou de basis maar zo eens kunnen zijn gelegd tijdens de lessen van Cees. Dus voor ik van wal steek, wil ik u kort over hem vertellen, en daarmee ook over het moment waarop De Pluijm ontstond.

 Cees van der Pluijm. Foto: CC-PoeterkeCees van der Pluijm was geboren en getogen in Radio Kootwijk, een klein dorpje in het hart van de Veluwe, direct naast het gelijknamige zendstation. Cees’ vader werkte als zendtechnicus op dat zendstation, en Cees groeide op in en rondom Gebouw A, de karakteristieke machinehal, nu een staatsmonument, met zijn vernieuwende architectuur, opgetrokken in gewapend beton.

Op 21 oktober 2014 presenteerde Cees daar, in datzelfde Gebouw A, misschien wel zijn levenswerk: de biografie van Radio Kootwijk. Hij signeerde er die dag meer dan 1000 boeken, er stond een file bij de afrit van de A1. Op zijn typische wijze sloot Cees zijn Facebook-bericht over deze dag af met: Het was overweldigend. Mijn begrafenis had niet succesvoller kunnen zijn en als klap op de vuurpijl: ik leef nog!

Een dag later werd Cees, compleet onverwacht, met spoed opgenomen in het ziekenhuis, waar hij op 14 december 2014 overleed. Zes dagen later namen wij, weer in Gebouw A, afscheid van hem. De schrijfopleiding was in groten getale afgereisd, want Cees was al tientallen jaren een begrip voor ons allemaal: inspirerend, geliefd, onmisbaar.

Cees verliet ons met striemende regen en geselende hagel. En daar, in het noodweer, langs de oprit van Gebouw A, ontstond het idee voor De Pluijm: een ode aan Cees, maar meer dan dat: een prijs om Cees’ grote passie, de schoonheid van de Nederlandse taal en de kracht van beschouwend schrijven, levend te houden. De Pluijm werd in dat eerste jaar een prijs voor de meest erudiete en eloquente afstudeerscriptie van de schrijfopleiding. We zochten een scriptie die Cees met goedkeuring had kunnen lezen: elegant, belezen, vernieuwend, maar ook: met een stijl en penhantering gegoten in gewapend beton. Ja, eigenlijk dus weer als Gebouw A: krachtig maar sierlijk, groots opgezet maar opgaand in de ruimte.

Hester Zijlstra wint de eerste PluijmWe – we, dat zijn Inge Raadschelders en ik, geholpen door vele collega’s en studenten om ons heen – we introduceerden de prijs, zetten een manifest op, stelden een jury samen, en juni vorig jaar werd voor het eerst De Pluijm uitgereikt. En de prijs groeide verder: het lectoraat adopteerde het initiatief en maakte er voor dit jaar een HKU Theaterbrede prijs van, en plannen voor een uitgebreider Pluijmprogramma werden langzaam werkelijkheid.

Eén van die plannen is de zogenaamde Pluijmlezing. Of Pluijmspeech, of Pluijmcollege, wat u er maar van wilt maken, maar als u het mij vraagt, klinkt Pluijmspeech teveel als dat oeverloze praatje van die saaie oom op het familie-etentje, dat geleuter waar niemand meer naar luistert, omdat iedereen honger heeft en lijdzaam toekijkt hoe zijn zalmforel of tournedos voor zijn neus koud ligt te worden.

En Pluijmcollege, dat klinkt mij weer veel te veel als onderwijs. En deel van het onderwijs, dat wil De Pluijm niet zijn. Als afstuderende heb je vier jaar lang al tot je knieën in het onderwijs gezeten, en eindelijk, nu eindelijk bereik je het kantelpunt tussen student en professional. En bij dat kantelpunt staat De Pluijm. Een nieuwe nulmeting: waar sta jij als kunstenaar, als denker, als onderdeel van een werkveld en een maatschappij waar je al een rol in speelt en nog veel meer in gáát spelen?

Kortom: geen Pluijmcollege dus, geen Pluijmspeech, maar Pluijmlezing. En wij hopen dat wij van deze Pluijmlezing een nieuwe traditie kunnen maken: een jaarlijkse lezing, gekoppeld aan de Pluijmuitreiking, bedoeld ter bevordering en misschien wel bewieroking van het beschouwende genre in de literatuur en journalistiek: het artikel, het essay, de scriptie, het verslag, het betoog, het pamflet. De Pluijmlezing wil de liefde hiervoor levend houden, een podium bieden aan gepassioneerde professionals in de non-fictie, een podium waar zij hun blik op de wereld kunnen uiten, hun visie kunnen geven op beschouwend schrijven, het schrijvers- of kunstenaarschap in deze tijd, en meer van dat soort hoogdravende praat.

Dus: daar gaan we dan.

Ik wil vandaag met u stilstaan bij een aantal zaken, en ik zal ze maar vast even in lukrake volgorde aan u voorleggen:

  • Ik wil met u antwoord proberen te vinden op de vraag: wat maakt een beschouwende tekst goed, of beter gezegd: wat maakt een beschouwer tot een goede beschouwer?
  • Ik wil met u stilstaan bij de beginselen van de taalgebruiker: input, output en het cognitief systeem daarachter.
  • Ik wil met u uit de Bijbel lezen, jazeker.
  • En ik wil u het verhaal vertellen van de innige vriendschap tussen een Duitse monnik en zijn leerling, waarbij ik u tot slot de vraag wil voorleggen: bent u een Narziss of een Goldmund?

Daar kunt u dus alvast over nadenken.

Dan volgt nu een theoretisch blokje. In mijn voorbereiding bleek deze lezing vijf minuten te lang, en ik heb die volle vijf minuten van dit blokje afgesnoeid. We gaan er dus als een malle doorheen, dus ik zou zeggen: wilt u straks nog weten wat ik allemaal heb verteld, pak dan vooral dat mooie notitieblokje onder uw stoel en leef u uit!

taalgebruikerHier ziet u de taalgebruiker. U dacht altijd dat dat poppetje betekende: mannentoilet. Maar nee. Het is een taalgebruiker. Die taalgebruiker heeft twee modi die hij kan aannemen: die van ontvanger van talige input (met oren, ogen, tastzin), en die van zender van talige output (met mond, handen, met de pen). Graag wil ik met u beginnen met de output, omdat ik denk dat de communicerende mens heel vaak eerst daarmee begint: geluid maken, zich laten horen, zich uiten, kenbaar maken, woorden geven aan wat in hem zit. Heel vaak beginnen we daarmee, tot God en de scheppingsdaad aan toe.

In het begin schiep God de hemel en de aarde. De aarde was nog woest en doods, en duisternis lag over de oervloed, maar Gods geest zweefde over het water. God zei: ‘Er moet licht komen,’ en er was licht. God zag dat het licht goed was, en hij scheidde het licht van de duisternis; het licht noemde hij dag, de duisternis noemde hij nacht. Het werd avond en het werd morgen. De eerste dag.
(De Nieuwe Bijbelvertaling (2004): Genesis 1: 1-5)

Zo begint het Oude Testament, de eerste vijf verzen van Genesis. Ik had u het liefst een opname willen laten horen van de presentatie van De Nieuwe Bijbelvertaling in 2004. Toen nog koningin Beatrix las deze eerste zinnen voor, en het mooie was dat ze er meteen een verhaspeling in fietste: ze zei “en duisternis lag op de overvloed”, wat achteraf gezien natuurlijk een heel mooi subtiele kritiek op onze welvaartsstaat was, en een knap staaltje vooruitziende blik ook richting de wereldwijde economische crisis.

Maar dat terzijde, ik kon ook nergens een opname vinden. Dus u moet mij op mijn woord geloven.

Het woord, dus, woorden. De hele scheppingsdaad, het hele begin van het bestaan, begon bij woorden (voor de helderheid: u hoeft hier niet letterlijk in te geloven, we doen even alsof). Er moet licht komen, zei God in dat begin, hij moest hier woorden voor vinden. En even later, toen er licht en duisternis waren, moesten die verschijnselen nog betekenisdrager worden, en wel van de betekenissen dag en nacht. Er moesten woorden komen, en die woorden moesten iets betekenen, pas toen kon er iets zijn.

Johannes, de evangelieschrijver, begint vele eeuwen later zijn eerste vijf verzen als volgt:

In den beginne was het Woord en het Woord was bij God en het Woord was God. Dit was in den beginne bij God. Alle dingen zijn door het Woord geworden en zonder dit is geen ding geworden, dat geworden is. In het Woord was leven en het leven was het licht der mensen; en het licht schijnt in de duisternis en de duisternis heeft het niet gegrepen.
(NBG (1951): Het evangelie van Johannes: 1-5)

In den beginne was dus het woord. Output.spreken

Ik heb hier wat stukjes geknipt en geplakt uit een overzicht in het boek Taal en Taalwetenschap onder redactie van professor Anne Baker. Het is een soort puzzel: telkens zien we een stukje, langzamerhand vormt zich het geheel.

Allereerst. Zo werkt taaloutput: van een gedachte naar een formulering, via grammatica en klankvorming, naar articulatie en de uiteindelijke uitspraak. Dit alles gebeurt bij ons onmerkbaar, in millisecondes, met een vanzelfsprekendheid waar wij taalgebruikers niet eens over nadenken, het gebeurt gewoon, net als ademen.

God zei: ‘Er moet licht komen’, en er was een gesproken woord, een gesproken zin, een verhaal, het begin van de wereld. En daarna werd dat gesproken woord schrift; de schrijver kwam. Er kwamen woorden voor alles wat gebeurde, de verhalen konden nu bewaard blijven.

Maar we ontdekten dat woorden méér konden dan alleen bewaren. Tekst kon meer dan slechts een enkelvoudige betekenis toekennen. Tekst kon duiden, in schrift kon hardop worden nagedacht over het leven, betekenissen konden worden bevraagd, het leven en de woorden konden worden beschouwd. Na de spreker en de schrijver kwam nu de beschouwer.

Er waren en zijn grote beschouwers: profeten, geschiedschrijvers, filosofen, kunstenaars. Maar er zijn ook heel veel kleine beschouwers, en in ieder van ons, in u, in mij, in de schrijvers van Dansende tongen, in de genomineerden voor De Pluijm, leeft een beschouwer. Die beschouwer woorden geven, output laten maken, dat is de kunst van het beschouwend schrijven.

Kijken we naar de output, dan kan een goede beschouwende schrijver worden herkend aan hoe hij de taal hanteert, haar eerbiedigt, liefheeft, soms met haar speelt, en haar dan weer inzet tot krachtig wapen. De taal is het meest emancipatoire middel ter wereld; de kracht van het goed beheersen van de taal, dat is niet alleen onmisbaar voor wie van taal houdt, dat is onmisbaar voor iedereen. Dus natuurlijk, natuurlijk, zweeft de lichtvoetige Pluijm rond, op zoek naar die taalgebruiker die virtuositeit bezit, die kan dansen met woorden, die kan sprankelen waar mogelijk, maar ook kan geselen als het moet.

Maar dat is niet het enige. De output is slechts één onderdeel van het gehele systeem. De Pluijm is geen taalprijs in de smalle zin van het woord. Want puur kijken naar iemands taal laat ons slechts één kant zien: de buitenkant. Minstens zo belangrijk vinden wij het proces dat zich, parallel hieraan, de andere kant op beweegt: naar binnen toe.

taal begrijpen stap 1Over die input. Het was niet voor niets dat ik even hiervoor tot twee maal toe de Bijbel citeerde. Ik doe dat natuurlijk om bij Cees in het gevlei te komen, want al sinds aanvang van mijn studie aan de schrijfopleiding, en tot ver na mijn diplomering, is dat één van mijn belangrijkste nooit uitgesproken levensdoelen geweest: complimentjes van Cees krijgen.

Cees geloofde niet in de God van het Christendom, had een hartgrondige hekel aan moralisme, maar tegelijkertijd ook een grote belangstelling voor de literaire waarde van de taal- en kunstuitingen van de verschillende religies, en dan vooral voor de enorme culturele waarde van de Bijbel voor onze beschaving.

Het was een fascinerende tegenstelling in hem die ik nooit helemaal heb kunnen doorgronden. Cees bewoog zijn geest beide kanten op, en voor mij was dat een verademing. Ik kwam uit een christelijk milieu en worstelde, zeker in mijn eerste jaren aan de HKU, met de manier waarop je daar naar moest kijken volgens de ongeschreven regels van het creatieve vrijdenkersgilde, namelijk: God, Bijbel, Christendom, die begrippen stonden toch vooral voor een verstikkende deken die alleen maar het kunstzinnige vuur van zijn zuurstof kon beroven. Waarom de Bijbel lezen als je Nietschze en Artaud had?

Maar de Bijbel moest je kennen, vond Cees, dat had niets met geloven te maken, maar met het feit dat het een belangrijke verzameling boeken is met grote literaire waarde. Bij Cees voelde ik dan ook de vrijheid om mijn fascinatie voor de Bijbel op literair-kritische wijze te onderzoeken, en hij vond het, denk ik, plezierig om iemand in zijn lessen te hebben die Bijbelverwijzingen herkende. Even plezierig vond hij het trouwens, weet ik wel zeker, om te kunnen laten zien dat ik in het reproduceren van Bijbelteksten geen partij voor hem was, ondanks alle kerkdiensten die ik had bezocht en preken die ik had aangehoord. Ik legde het altijd tegen hem af, tot zijn zichtbare genoegen. Hij begeleidde mij bij mijn scriptie over God als personage in theaterteksten, en stimuleerde mij daarin om mijn onderzoek zo objectief mogelijk, en zo veel mogelijk met de blik naar buiten gericht, te verwoorden, sterker nog: om het woordje “ik” in mijn gehele scriptie niet te noemen. Eigenlijk liet Cees mij zien dat de deken die om mij heen lag, niet verstikkend was, en juist daarom kon ik die deken afdoen, was ik ervan bevrijd.

En die blik, die visie, raakt aan wat wij, naast de talige output, als een grote en onmisbare kwaliteit zien van de beschouwende schrijver: de input, de bereidheid om objectief en kritisch de wereld tot je te nemen, het vermogen om de geest te openen voor nieuwe inzichten, ook als die niet meteen ten dienste staan van jouw output, van wie jij denkt te zijn. Een goede beschouwend schrijver herkent men niet alleen aan zijn vruchten, ook aan zijn wortels.

Terug naar de taalkunde nu. Dit blokje snapt u wel, de input: hoe wij taal ontvangen. Bovenaan ziet u het woord ‘begrijpen’ staan. Daarmee zetten we een stap richting het volledige plaatje. Taal begrijpen is de wéreld begrijpen, of althans: proberen te begrijpen. Dat maakt deel uit van een enorm en complex cognitief systeem in ons hoofd.

taal begrijpen stap 2Taal tot je kunnen nemen is niet alleen een technische handeling; het heeft alles te maken met kennis van de wereld, kennis van hoe mensen in elkaar zitten, met elkaar omgaan, hoe taal werkt, hoe taal wordt opgebouwd en hoe die taal jou een bepaalde kant op kan bewegen.
Een goede denker, en een goede beschouwend schrijver, is zich daar voortdurend, in alle verschillende richtingen van bewust. Door veel te bouwen aan dat systeem dat achter het ontvangen en uiten van taal ligt, dat systeem in zijn hoofd, kan hij steeds beter die twee kanten op werken: input en output.

En die twee, of eigenlijk dus die drie, kunnen nooit zonder elkaar. Een wijsgeer die zijn inzichten niet in doeltreffende taal kan overbrengen, is geen beschouwend talent. En een taalvirtuoos die eigenlijk niets te zeggen heeft evenmin. Kortom: een beschouwend schrijver herkent men niet alleen aan zijn vruchten, ook niet alleen aan zijn wortels, maar aan de boom die hij vormt door wortels en vruchten met elkaar te verbinden.

taal begrijpen stap 3
Tot slot. Enkele maanden vóór de boekpresentatie in Radio Kootwijk, had ik een e-mailconversatie met Cees, waar ik nu, bij het schrijven van deze lezing, weer aan moest denken. Ik heb die e-mails er nog eens bij gezocht. Cees vertelde dat hij een interview zou gaan geven voor het tv-programma Geloven op 2, over de manier waarop hij in zijn gedichten rond het Sonsbeekpark in Arnhem sprak over God.

“Het grappige is,” mailde hij, “dat ik de laatste tijd steeds meer nadenk over wat ik mijn Godservaringen noem, die alles met kunst, natuur, vriendschap en liefde te maken hebben, soms op een bijna mystieke manier. Voor mij staat het begin van het Johannesevangelie nog steeds centraal daarbij, maar evengoed het werk van Reve.”

“Cees,” mailde ik terug. “Wat je vertelt over Godservaringen, dat doet mij ergens ook denken aan Narziss & Goldmund van Hermann Hesse, een boek dat mij diep heeft geraakt. Je kent het ongetwijfeld.”

Maar Cees kende het niet! Een unicum, ik kende een boek wel dat Cees níet kende.

Narziss GoldmundNarziss und Goldmund speelt zich af in de dertiende eeuw. De jonge Goldmund wordt door zijn vader naar de strenge kloosterschool Mariabronn gestuurd. Daar ontmoet hij de ook nog jonge monnik Narziss, die daar lesgeeft. De twee zijn in zo ongeveer alles elkaars tegenpolen, maar raken toch bevriend.

Goldmund is een dromer en totaal niet gemaakt voor het rigide leven van de monniken, vol wetenschap en gebed. Als hij dat met behulp van Narziss inziet, vlucht hij uit Mariabronn en zwerft hij jarenlang door het leven, een hedonistisch bestaan vol avonturen, nieuwe indrukken, talloze vrouwen en erotiek, tot hij op een dag in een kerk getroffen wordt door de schoonheid van een Mariabeeld. Hij achterhaalt wie de beeldhouwer is en gaat bij hem in de leer.

Goldmund blijkt een talentvol en gepassioneerd kunstenaar, maar het rusteloze zoeken blijft. Wanneer hij met de pest en de dood van zijn grote liefde Lene geconfronteerd wordt, lijkt hij tot inkeer te komen. Hij wil, na al die jaren, terug naar het klooster, terug naar Narziss.

Hij keert terug, de vrienden worden herenigd. Jaren gaan voorbij. Goldmund maakt op Mariabronn de mooiste beeldhouwwerken, maar nog altijd vindt hij zijn rust niet.

Voor de laatste keer trekt hij eropuit voor nog een zwerftocht, maar die loopt op niets uit; hij ziet in dat hij oud is geworden en dat het vitalisme hem definitief heeft verlaten. Goldmund sterft met Narziss aan zijn zijde, maar niet voordat beide mannen hun vriendschap en waardering voor elkaar hebben uitgesproken.

Daar, aan Goldmunds sterfbed, zien ze allebei in wie zij zijn: Narziss de denker, Goldmund de voeler. Altijd had het gevoelsmens gedacht dat hij minder was dan de denker, maar Narziss hield net zo onvoorwaardelijk van Goldmund als andersom, en had diepe bewondering voor zijn levenskracht, belevingskracht, uitingskracht. In de manier waarop Goldmund alles wat hij zag niet zomaar voor lief nam, maar doorleefde met volle overtuiging, met open hart en hoofd, met aandacht voor elk detail, daarin was hij even zorgvuldig als Narziss in zijn denken.

Ik kocht het boek voor Cees en wachtte het geschikte moment af om het hem te geven, wist nog niet zo goed wanneer dat zou komen. Die dag in oktober, in Radio Kootwijk, had ik het cadeau bij me, maar het was zo druk dat ik Cees nauwelijks kon spreken, dus dacht ik: weet je wat, ik stuur het hem wel op, kan ik er nog mooi een kaartje bij doen.

Het boek ging die maandag op de post richting Cees’ huis, terwijl hij zelf al in het ziekenhuis lag. Hij heeft het boek, voor zover ik weet, niet meer in handen gehad. Ik had het er graag nog met hem over willen hebben. En ik had hem willen vragen: Cees, wat ben jij eigenlijk, een Narziss of een Goldmund? Of ben je beide, bezit je beide helften, die elkaar liefhebben maar dat zelf soms niet weten? En wat of wie ben ik, denk je?

In de week na zijn overlijden heb ik twee gedichten geschreven. Een tweeluik, getiteld Narziss en Goldmund. Het eerste heb ik voorgelezen in Gebouw A, bij Cees’ uitvaart. Met het tweede wil ik deze Pluijmlezing afsluiten.

Narziss & Goldmund, II

er waren altijd
twee kanten
these, antithese,
het zichtbare en voelbare en dat
waar we allebei naar zochten, op
heel verschillende kaarten

er waren altijd
twee halfronden
en een lichte afstand ertussen
begon mijn reis, zou hij juist
arriveren, nooit zouden we
elkaars nacht in gaan

er bleven altijd
woorden bestaan, ergens,
die niet uitgesproken zouden worden
maar behoedzaam zich in
witregels ontwikkelden
tot verhaal

en er zal altijd
een midden blijven, synthese,
het willen luisteren
naar elkaars stem, al was
hij niet mij,
en ik niet hem.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *